Onderzoek

Onderzoek van de Carolien Bijl Stichting.

Om tot een kwaliteitsverbetering in de zorg voor patienten met een craniofaciale afwijking (aangeboren gezichtsafwijking) te komen is onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek betreft zowel onderzoek naar de oorzaak en genetische achtergrond als onderzoek naar resultaten van chirurgische technieken. Binnen het craniofaciale centrum van het Erasmus MC zijn reeds 4 promotieonderzoeken afgerond waarvan het onderzoek van Marieke de Heer met financiele steun van de Carolien Bijl Stichting. Het onderzoek naar OSAS door Natalja Bannink, loopt nog.

  • Marieke de Heer - onderzoek naar de genetische achtergrond van het Saethre-Chotzen syndroom
  • Jolanda Okkerse - onderzoek naar de psychologische problemen bij craniosynostosis
  • Huisinga-Fischer - onderzoek naar effect van onderkaakverlenging op kauwspieren bij hemifaciale microsomie
  • Irene Mathijssen - onderzoek naar ontstaan van craniosynostosis
  • Natalja Bannink - promotie onderzoek naar obstructief slaap apneu syndroom (OSAS)

Op het gebied van onderzoek wordt door ons veelvuldig samengewerkt met andere Europese craniofaciale units. Uitwisseling van ervaring vindt plaats via wetenschappelijke bijeenkomsten van de European Society for Craniofacial Surgery en de International Society for Craniofacial Surgery, waarvan zowel drs. Vaandrager als dr. Mathijssen lid zijn.

Huidig promotie onderzoek

Het OSAS promotieonderzoek dat op 1 maart 2006 opgestart is onderzoekt de ademhalingsproblemen die frequent voorkomen bij de craniosynostosis syndromen. Deze ademhalingsproblemen lijken vooral veroorzaakt te worden doordat de bovenkaak niet uitgroeit. De gevolgen hiervan voor de zich ontwikkelende hersenen zijn nog onbekend, maar er zijn aanwijzingen dat bijvoorbeeld het gezichtsvermogen ernstige schade kan oplopen. Meer inzicht in de betrokken mechanismen zal leiden tot een duidelijke verbetering in de behandeling en kwaliteit van leven voor deze patienten. De looptijd van dit projekt is 4 jaar. De totale kostenraming voor dit projekt bedraagt ruim 200.000 euro. 80 % van dit budget wordt uitgegeven aan salarissen en de overige 20 % aan materiaalkosten. Dit OSAS promotie onderzoek wordt volledig gefinancierd door de Carolien Bijl Stichting. 

Natalja Bannink zal op 1 september 2010 promoveren, hier onder de Nederlandse samenvatting van het OSAS promotie onderzoek.

Samenvatting

Het doel van dit proefschrift betreft het in kaart brengen van het belang en de impact van het obstructief slaap apneu syndroom bij kinderen met een syndromale of complexe vorm van craniosynostosis. Aandachtsgebieden zijn prevalentie, diagnostiek en behandelingsuitkomst van het obstructief slaap apneu syndroom (OSAS) en de invloed van OSAS op de prevalentie van papiloedeem, de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven en het gedrag.

Achtergrondinformatie over syndromale craniosynostose wordt gegeven in hoofdstuk 1. Craniosynostosis wordt gekenmerkt door vroegtijdige sluiting of agenesie van de schedelnaden en is in 40% van de gevallen (1:6.250) onderdeel van een syndroom, zoals het syndroom van Apert, Crouzon, Pfeiffer, Muenke of Saethre-Chotzen. Complexe craniosynostosis wordt gedefinieerd als sluiting van twee of meer schedelnaden zonder bekende mutatie in de fibroblast groeifactor receptor (FGFR) of in het TWIST gen. Patiënten met een syndromale en complexe craniosynostosis hebben een verhoogd risico op de ontwikkeling van verhoogde intracraniële (hersen)druk (ICP) en van het obstructief slaap apneu syndroom (OSAS). Mogelijke factoren die bijdragen aan de verhoogde ICP bij craniosynostosis zijn craniocerebrale disproportie, ventriculomegalie of hydrocephalus, veneuze hypertensie en OSAS. De eerste behandeling of preventie van verhoogde ICP bij deze kinderen betreft een operatie in het eerste levensjaar waarbij de schedel groter wordt gemaakt. Het obstructief slaap apneu syndroom is een klinisch syndroom waarbij een gedeeltelijke of complete obstructie van de bovenste luchtweg optreedt, die wordt gekenmerkt door moeilijkheden met ademhalen, snurken en apneus (stoppen met ademhalen) tijdens de slaap en die leidt tot slaapfragmentatie, hypoxie (zuurstoftekort) en hypercapnie (teveel koolstofdioxide). Een vragenlijst over de aanwezigheid van symptomen kan handig zijn in de screening naar OSAS, maar de gouden standaard om de aanwezigheid en de ernst van OSAS vast te stellen is polysomnografie (PSG). De obstructieve apneu hypopneu index (OAHI) wordt gebruikt om te differentiëren in ernst. De behandeling van OSAS is afhankelijk van de ernst, de oorzaak en het niveau van obstructie.

Hoofdstuk 2 beschrijft de vraag of ouders de aanwezigheid van OSAS bij hun kinderen met een syndromale of complexe craniosynostosis kunnen voorspellen. De OSAS score, bekend als Brouillette score, kan gebruikt worden bij de screening op de aanwezigheid van OSAS en bestaat uit drie items, namelijk ademhalingsmoeilijkheden, apneus en snurken. In de craniosynostosis populatie heeft de vraag naar moeilijkheden met ademhalen tijdens de slaap een sensitiviteit van 64% en een hoge negatief voorspellende waarde van 91% in vergelijking met polysomnografie. Kortom, als het kind geen moeilijkheden met ademhalen tijdens de slaap heeft kan de aanwezigheid van matige en ernstige OSAS zo goed als zeker uitgesloten worden en is een polysomnografie onnodig. De vraag over snurken heeft geen toegevoegde waarde, daar vastgesteld is dat 77% van de kinderen snurkt. Dit komt voornamelijk door een nauwe neusholte.

De toepasbaarheid van een cardiorespiratoire thuismonitor (polysomnograaf) voor het stellen van de diagnose OSAS bij deze kinderen wordt besproken in hoofdstuk 3. Totaal is 40.5% van de registraties te gebruiken om een OAHI te berekenen aan de hand van alle signalen. De belangrijkste beperking is de afwezigheid van de neusflow, geregistreerd door de neusbril. Bij kinderen met een syndromale of complexe craniosynostosis lijkt de belangrijkste reden voor het ontbreken van het neusflowsignaal de afwezigheid van neuspassage te zijn. Dit laatste komt door de anatomische afwijkingen van de neusholte, die leiden tot een bijna complete obstructie van de bovenste luchtweg met als gevolg mondademhaling. Een andere belangrijke reden voor de afwezigheid van de neusflow is het feit dat niet alle kinderen de neusbril accepteren. De som van de amplitudes van de borst- en buikademhalingsbewegingen (X flow) lijkt een waardevol alternatief, wanneer complete registratie van de neusflow niet gelukt is. Het gebruik van de X flow als screeningsmethode zorgt voor een stijging van het succespercentage van 40.5 naar 75%.

De respiratoire uitkomst van een aangezichtscorrectie op de lange termijn bij patiënten met het syndroom van Apert, Crouzon of Pfeiffer met matige of ernstige OSAS, waarvoor ze zuurstof, neuskapbeademing (CPAP) of een tracheacanule nodig hebben, wordt besproken in hoofdstuk 4. Ondanks de aangezichtscorrectie bleef respiratoire ondersteuning (afhankelijkheid van CPAP of een tracheacanule) op de lange termijn gehandhaafd bij vijf van de elf onderzochte patiënten. Bij alle patiënten zonder respiratoire verbetering of met een recidief na chirurgie toonde de endoscopie een obstructie op het niveau van de rhino- of hypopharynx (neus-keelholte of het onderste deel van de keelholte). Een dynamische collaps van de pharynx kan de respiratoire uitkomst van de aangezichtscorrectie beïnvloeden en daarom wordt voor deze operatie een endoscopie van de bovenste luchtweg geadviseerd om elk niveau van luchtwegobstructie vast te stellen dat invloed kan hebben op de respiratoire verbetering na de correctie.

De prevalentie van functionele problemen voorkomend bij kinderen met een syndromale craniosynostosis komt aan de orde in hoofdstuk 5 en 6. De prevalentie van papiloedeem bij patiënten met het syndroom van Apert, Crouzon of Pfeiffer is hoog (51%), niet alleen voor de chirurgische decompressie (38%), maar ook na de operatie (43%). Klinische symptomen, zoals hoofdpijn, zijn slechte voorspellers voor de aanwezigheid van papiloedeem. Complexe craniosynostosis, exorbitisme en ventrikeldilatatie zijn factoren die geassocieerd zijn met papiloedeem. Jaarlijkse funduscopie is sterk aan te raden gezien de hoge prevalentie van papiloedeem (hoofdstuk 5). Andere functionele problemen, zoals refractieafwijkingen en gehoorverlies komen veel voor (52-56%) bij alle typen syndromale en complexe craniosynostosis. Genetische analyse is noodzakelijk voor counseling en screening op syndroom-specifieke afwijkingen en functionele stoornissen. Follow-up door een multidisciplinair team is nodig tot de leeftijd van 18 jaar om de best mogelijke uitkomst te garanderen. Een voorstel voor een diagnose-specifieke screening en een behandelprotocol is gedaan (hoofdstuk 6).

Hoofdstuk 7 beschrijft de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven van kinderen en adolescenten met syndromale of complexe craniosynostosis. De door ouders gerapporteerde scores voor deze patiënten waren significant lager dan die voor de normpopulatie; syndromale craniosynostosis heeft een grote impact op de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven, zowel fysiek als psychosociaal. Het syndroom van Apert heeft de grootste impact op verscheidene domeinen.

Om de ziekte-specifieke impact van het obstructief slaap apneu syndroom in de gewone populatie en bij kinderen met een syndromale of complexe craniosynostosis te evalueren, is een ziekte-specifieke kwaliteit van leven vragenlijst, de OSA-18, getoetst. De interne consistentie, de test-hertest betrouwbaarheid en de discriminatieve validiteit van de OSA-18 in de craniosynostosis populatie zijn onderzocht in hoofdstuk 8. De OSA-18 vragenlijst is als een betrouwbaar en valide instrument getest en kan in toekomstige studies gebruikt worden.

Hoofdstuk 9 rapporteert de impact van OSAS op de kwaliteit van leven bij syndromale en complexe craniosynostosis en de prevalentie van gedragsproblemen. De correlatie tussen de OAHI en de totale OSA-18 en CBCL scores is significant. De domeinen ‘slaapproblemen’ en ‘lichamelijke verschijnselen’ scoren significant hoger bij patiënten met matige OSAS en kunnen gebruikt worden om de impact van OSAS op hun kwaliteit van leven te bepalen. Binnen de craniosynostosis groep tonen de kinderen met het syndroom van Apert de hoogste totale OSA-18 score. De prevalentie van gedragsproblemen is hoog, met name bij jongens met het syndroom van Apert en Muenke.

De belangrijkste bevindingen van dit proefschrift en opmerkingen naar aanleiding van deze bevindingen worden bediscussieerd in hoofdstuk 10, dat ook de toekomstplannen op onderzoeksgebied bespreekt. Toekomstige studies zijn nodig om de herkenning van klinische symptomen van milde, matige en ernstige OSAS en de consequenties van de mate van ernst op groei en ontwikkeling, hersendruk, gedrag en kwaliteit van leven te verbeteren. Wat de ambulante polysomnografie betreft, het gebruik van de X flow behoeft validatie in vergelijking met volledige polysomnografie uitgevoerd in het ziekenhuis. Een multidisciplinair team dient zorg te dragen voor alle verschillende klinische aspecten voorkomend bij deze craniosynostose patiënten en centralisatie van de zorg wordt sterk aangeraden.

 

De Carolien Bijl stichting richt zich op de stimulering en ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek van craniofaciale afwijkingen.

Drs Natalja Bannink over het lopende OSAS onderzoek:

Mijn naam is Natalja Bannink. Ik ben nu bijna drie jaar arts en ruim een jaar bezig met wetenschappelijk onderzoek in het Erasmus MC/ Sophia kinderziekenhuis. Dit onderzoek wordt gefinancierd door de Carolien Bijl stichting. Mijn doel is om uiteindelijk kinderarts te worden.

Mijn onderzoek duurt totaal vier jaar en gaat over ademhalingsproblemen tijdens de slaap (obstructief slaap apneu syndroom, OSAS ) en verhoogde hersendruk bij kinderen met een complexe craniosynostosis (te vroeg sluiten van de schedelnaden), vaak in het kader van een syndroom. Ik vraag kinderen en hun ouders mee te doen met het onderzoek. Naast de standaard onderzoeken (schedelomtrek meten, schedelfoto, bezoek aan de oogarts) die gedaan worden op de polikliniek plastische chirurgie houdt het onder andere in dat ze thuis een slaapmeting doen en vragenlijsten invullen over ontwikkeling, (slaap)gedrag en algemene gezondheid. Daarnaast wordt de groei in kaart gebracht op de polikliniek. De slaapmeting gebeurt met behulp van sensoren en een mobiel kastje dat de ademhaling, hartslag en het zuurstofgehalte tijdens de slaap registreert. Deze apparatuur wordt gefinancierd door de Carolien Bijl stichting. Tot nu toe gaat het onderzoek goed en doen er al ruim 50 kinderen mee. Ouders zijn erg gemotiveerd.

Met dit onderzoek proberen we meer duidelijkheid te krijgen over het voorkomen van de ademhalingsproblemen bij deze groep kinderen en gaan we op zoek naar risicofactoren. Verder kijken we of er een relatie bestaat tussen de ademhalingsproblemen en het ontwikkelen van verhoogde hersendruk. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we de kinderen gericht kunnen screenen op ademhalingsproblemen en ze vroegtijdig kunnen behandelen om later optredende problemen te voorkomen. De eerste behandeling van het obstructief slaap apneu syndroom is het verwijderen van de neusamandel en keelamandelen. Echter bij de groep kinderen met een complexe craniosynostosis kan het middengezicht terugliggen wat een rol kan spelen in het ontstaan van obstructie van de luchtweg. Met behulp van een grote operatie, waarbij het middengezicht naar voren wordt geplaatst (le Fort III operatie of monobloc operatie), wordt meer ruimte gecreëerd voor de luchtweg.

Elk onderzoek kost veel geld. Naast mijn salaris wordt er ook geld uitgegeven aan apparatuur en hulpmiddelen om dit onderzoek uit te voeren. Tevens worden kosten gemaakt voor de informatie die we verkrijgen uit CT scans en echo’s en bloed dat wordt opgeslagen.
Zonder de Carolien Bijl stichting was dit allemaal niet mogelijk geweest. Natuurlijk is de medewerking van de kinderen en hun ouders ook van wezenlijk belang. Via deze weg wil ik daarom de Carolien Bijl stichting en alle kinderen en hun ouders hartelijk bedanken.


Drs. Natalja Bannink

 

Met financiële steun van de Carolien Bijl Stichting doe ik promotie onderzoek (zie eerdere stuk) en nu is mijn eerste artikel geaccepteerd voor publicatie in een medisch tijdschrift. Hieronder ziet u een beschrijving van het artikel.


Papiloedeem bij patiënten met het syndroom van Apert, Crouzon en Pfeiffer; voorkomen, effectiviteit van behandeling en risicofactoren

Papiloedeem is zwelling van de oogzenuw, wat wordt vastgesteld door de oogarts. Dit is een uiting van verhoogde hersendruk. Bij patiënten met een craniosynostosis, bij wie de schedelnaden te vroeg dicht gaan, kan verhoogde hersendruk ontstaan. Om meer te weten te komen over het voorkomen van verhoogde hersendruk, hebben we onderzoek gedaan naar het bestaan van papiloedeem. Het is moeilijk voor patiënten om verhoogde hersendruk te herkennen doordat klachten, zoals veranderd bewustzijn en braken, vaak ontbreken.

We hebben gekeken in de dossiers van 84 patiënten met het syndroom van Apert, Crouzon of Pfeiffer en gegevens verzameld over het voorkomen van papiloedeem, eventuele klachten en behandelingen die zijn ondergaan.

Totaal bestond bij de helft van de patiënten minstens één keer papiloedeem. Een schedeloperatie, waarbij de hersenen meer ruimte krijgen, is een manier om de hersendruk te verlagen en het papiloedeem te laten verdwijnen. Echter na de operatie kan papiloedeem blijven bestaan, terug komen of voor het eerst ontstaan. Dit laat zien dat het een belangrijk probleem is, waar we goed op moeten letten. Een vroege schedeloperatie, voor het eerste levensjaar, kan het ontstaan van papiloedeem wel voorkomen. Klachten konden het bestaan van de zwelling van de oogzenuw niet voorspellen. Risicofactoren voor het ontstaan van papiloedeem zijn de hoeveelheid naden die dicht zijn gegaan, het hebben van bolle ogen en te wijde hersenkamers. Kortom, papiloedeem komt vaak voor bij patiënten met het syndroom van Apert, Crouzon en Pfeiffer, niet alleen voor de schedeloperatie, maar ook daarna. Jaarlijkse controle op papiloedeem door de oogarts is daarom aan te bevelen.


Drs. Natalja Bannink

TOP

* * *

Hier onder ziet u de Nederlandse samenvatting van het promotieonderzoek van Jacques van der Meulen, plastisch chirurg in Erasmus MC. Het gaat over Trigonocephalie (wigschedel) en de titel van zijn promotieboekje was "On trigonocephaly". De promotie heeft plaatsgevonden op 8 december 2009 in Rotterdam en in de promotiecommissie zat onder andere Michiel Vaandrager. De CBS heeft een bescheiden bijdrage geleverd aan het tot stand komen van het promotieboekje.

De oorsprong van dit proefschrift ligt in de diversiteit van de pathologie die gezien wordt bij kinderen met een synostose van de voorhoofdsnaad. Het onderzoek beoogd een overzicht te geven van de verschillende aspecten van trigonocephalie. Verscheidenen daarvan zijn in de voorgaande hoofdstukken aan bod gekomen. Hieronder volgt een samenvatting van de bevindingen.

Hoofdstuk 2 - Toegenomen prevalentie binnen Europa In een pan–Europese studie werden data van 3240 gevallen van craniosynostose verzameld uit 7 verschillende craniofaciale klinieken. Het ging hierbij om kinderen gezien in de periode van 1997 tot 2006. Statistische analyse bevestigde een opmerkelijke toename van metopica synostose in 2000-2001, met een significante toename in de tweede helft van de bestudeerde periode in vergelijking met de eerste helft. De oorzaken daarvoor zijn tot nu toe onduidelijk gebleven.

Hoofdstuk 3 - Genetische etiologie Routinematige screening voor een genetische etiologie in kinderen met craniosynostose is voorbehouden aan syndromale gevallen of kinderen met een kroonnaad synostose. De meesten van deze afwijkingen zijn gerelateerd aan anomaliën van de genen die coderen voor de Fibroblastic Growth Factor Receptors (FGFR) 1-3. Over de laatste decennia heeft genetisch onderzoek slechts sporadisch bewijs opgeleverd voor een genetische oorzaak van metopica synostose. Wij vonden de FGFR 3 Pro250ARG mutatie, welke pathognomisch is voor het syndroom van Muenke syndroom, in een geval met metopic synostose. Tot nu toe zijn alle beschreven gevallen van het Muenke syndroom gerelateerd met een kroonnaad synostose. De moeder van onze casus bleek dezelfde afwijking te hebben.

Hoofstuk 4 - Peri-orbitale groei na cranioplastiek Een klinische studie richtte zich vervolgens op de peri-orbitale groei na corrigerende cranioplastiek bij 92 gevallen van trigonocephalie. Cephalometrische analyse werd gedaan met gebruik van specifiek meetpunten, aangeduid in onderstaand schema (Fig 1.).

Omdat de röntgenopnamen op de jonge leeftijd van presentatie van deze kinderen niet gestandaardiseerd zijn, werd er geconverteerd naar het gebruik van groeiratio’s. Analyse van deze ratio’s bracht aan het licht dat de groeiratio van de mediale oogkaswand na de operatie continu verhoogd is ten opzicht van die van de laterale oogkaswand. Dit wijst op een autocorrectie van het hypotelorisme. Bij vergelijking van de schedelbreedte, de laterale oogkaswand en de kruising van oogkaswand en sphenoid, blijkt dat deze laatste het langzaamste te groeien, hetgeen de temporale deuken op basis van onvoldoende botgroei in deze regio zou kunnen verklaren.

Hoofdstuk 5 - De origo van temporale indeukingen De temporale deuken kunnen door verschillende andere oorzaken veroorzaakt worden. Factoren gerelateerd aan de weke delen (zoals temporale vet pocket of temporalis spier) bleken onwaarschijnlijk gezien het subperiostale dissectievlak dat gebruikt wordt in de operatie. Zo bleek in 97% van de gevallen bij palpatie de temporalis spier voldoende hoog gepositioneerd te zijn. De operatie techniek en de ervaring van de chirurg speelden ook een rol. Een deuk, eenmaal aanwezig na de operatie, bleek tot op late leeftijd te persisteren. De mate van postoperatieve indeuking was echter niet gerelateerd aan de ernst van de initiële afwijking. Door twee datasets te vergelijken (33 casus hadden een complete set röntgenologisch en fotografische evaluatiedata) kon worden aangetoond dat specifiek de beperkte botgroei in de temporale regio correleerde met een slechte visuele score, daarmee verder bewijs leverend voor de ossale etiologie van deze deuken.

Hoofdstuk 6 - Intracraniële afwijkingen Gezien de typische associatie tussen neurologische ontwikkelingsstoornissen en metopica synostose werden 78 preoperatieve CT scans aan een analyse onderworpen. Deze scans werden vergeleken met een controle groep van 12 kinderen die een schedel scan ondergingen in verband met een niet schedel gerelateerd letsel. Evaluatie door een gespecialiseerde kinderradioloog liet zien dat bij de overgrote meerderheid één of meerdere intracraniële afwijkingen aanwezig waren (72%). Het ging hierbij met name om tekenen van verhoogde intracraniële druk (10%), ventriculaire dilatatie (aanwezig in 40% tegen slechts 8% in de controle groep, p = 0.03) en frontale kwab hypoplasie (in 60%). Zesenvijftig van deze 60% betroffen milde afwijkingen, terwijl 4% van de kinderen een forse hypoplasie liet zien. Deze bevindingen lijken de relatie tussen het gemalformeerde brein en de premature schedelnaadsluiting te ondersteunen. Er bleek echter geen significante relatie te bestaan tussen de mate van frontaalkwab hypoplasie en de ernst van de initiële afwijking (de frontale stenose of hoek)(p > 0.05).

Hoofdstuk 7 - Neurologische ontwikkelingsproblemen De hoge incidentie van gedragsproblemen in deze patiënten populatie lijkt onafhankelijk van de correctieve ingreep aanwezig te zijn. Deze studie werd vervolgens uitgevoerd met gevalideerde tests om de aard en de mate van gedragsafwijkingen in kaart te brengen die specifiek gerelateerd zijn aan de frontale kwabben. De resultaten werden gecorrigeerd voor lage intelligentie (IQ lager dan 70), omdat lage intelligentie in zichzelf is geassocieerd met gedragsproblemen, hetgeen de uitkomsten van deze studie negatief zou kunnen beïnvloeden.

In totaal 39% van de 86 kinderen presenteerde zich met een of andere vorm van gedragsproblematiek. Na stratificatie van de onderzoeksgroep in IQ < 85 and IQ ≥ 85 bleek een 64% versus 24% aanwezigheid van gedragsproblematiek binnen de groepen. Intelligentie en ADHD waren significant gecorreleerd (r = -0.36; p < 0.01), evenals IQ en ODD (r = -0.34; p < 0.05), beiden wijzend op een relatie tussen laag IQ en een hoger risico op ADHD en ODD. IQ bleek niet significant gecorreleerd met CD (r = -0.19; p = 0.18).

Frequenties van de onderzochte gedragsproblemen waren als volgt: IQ < 85 IQ > 85 Normal ADHD 27% 11% 2,2-8,7% ASD 40% 4% 1,8-4,4% ODD 55% 11% 2,3-4,9% CD 9% 2% 15%

Ook deze verhoogde incidentie van frontaal kwab functie afwijkingen in de populatie kinderen met een metopica synostose is een verdere aanwijzing dat er een relatie bestaat tussen de intrinsieke ontwikkeling van het brein en die van de omliggende schedel.

Toekomstig onderzoek Om meer duidelijkheid te schapen in de etiologie van metopica synostose en de daaraan gerelateerde gedrags- en ontwikkelinggsstoornissen, zou toekomstig onderzoek zich kunnen richten op de groep ongeopereerde kinderen met trigonocephalie om daarmee een antwoord te kunnen krijgen op de vraag of de huidige operatieve behandeling mogelijk een schadelijke invloed heeft op de ontwikkeling van het brein. Tevens zou het zinvol zijn om de gezamenlijke moleculaire banen te onderzoeken die de neurale crest cel ontwikkeling aansturen, omdat deze op de ontwikkeling van zowel de schedel als het onderliggende brein van invloed zijn. Verder is de rol van externe factoren zoals Valproaat, hypothyroïdie of foliumzuur op de etiologie van deze aandoening is nog verre van duidelijk.

Conclusies: De tot nu toe onverklaarbare toename van metopica synostose wordt in meerdere Europese craniofaciale centra geobserveerd. Er bestaat een relatie tussen een genetisch afwijking en metopica synostose. De relatieve toename van de groeisnelheid van de mediale oogkaswand geeft dat het hypotelorisme dat na de operatie nog aanwezig is in de loop der jaren vanzelf minder wordt. The temporale regio vertoond de minste expansieve groeipotentie van de gehele perioperatieve regio na operatie. Weke delen spelen een beperkte rol in de etiologie van postoperatieve temporale indeukingen. Deze lijken dan ook met name het gevolg te zijn van een verminderde groei van het bot in die regio. Er is een groot aantal trigonocephalie patiënten dat zich presenteert met een intracraniële afwijking (72%), terwijl 60% van hen een frontale hypoplasie heeft. Een substantieel aantal kinderen (39%) met metopica synostose heeft neurologische ontwikkelingsstoornissen. Dit percentage wordt echter sterk gereduceerd tot vrijwel normaal als er gecorrigeerd wordt voor lage intelligentie.

Literatuurlijst

Voor de geïnteresseerden; lees hier meer...

TOP